De Visserman

HL93 onderzeil1

In het algemeen geldt dat alle schouwen een plat vlak hebben, een openvallend boord en een invallend boeisel, waardoor er een hoekig knikspant ontstaat.
 
De voor- en achterspiegel zijn zeshoekig en staan bijna verticaal.
Het boord en boeisel vallen hier tegenaan. De zeeschouwen hadden een bun in het ruim/ kuip.

De zeeschouw (Lemsterschouw, spekbak) is een groter en zeewaardiger type van de Friesche schouw en bedoeld voor de Zuiderzeevisserij. Het voordek liep meer op dan bij de gewone Friesche schouw.

De zeeschouw ontstond uit economische noodzaak: Door slechte vangstresultaten werden de Zuiderzeevissers gedwongen over te gaan op een goedkoop te bouwen vissersschip.
 
Nadat de eerste rond 1900 in Lemmer gebouwd werd, trof men ze vooral aan in Hoorn, Enkhuizen, Lemmer en Stavoren.

Er zijn enkele verschillen tussen de Lemster en Hollandse schouwen, zo maakt de Lemster schouw een gestrekte indruk doordat de zeeg vlakker is dan die van de Hollandse schouw, waar vooral de kop en daarmee het voordek hoger oploopt. Het Hollandse vlak is over de hele lengte gebogen, terwijl dat van de Lemster schouw ‘stil staat’.
Aanvankelijk werden de zeeschouwen van hout gebouwd, later van ijzer en staal.

 

De vissermanzeeschouwen voeren een zogenaamde ‘bottertuigage’, d.i. grootzeil, botterfok (grote fok met schoothoek tot achter de mast) en een kluiffok op een losse kluiverboom. Hierbij is het tuig van de Lemster schouw wat hoger en slanker dan dat van de Hollandse, en de masttop is op z’n Fries, dus wat korter. *)

 

*Deze tekst is deels samengesteld m.b.v. de volgende boeken:
Ronde en platbodems, schepen en jachten door Coen van Oostrom
Maritieme encyclopedie door Van Beylen e.a.
Oude zeilschepen en hun modellen door E.W. Petrejus
Bron: visserman-zeeschouw.nl